Over de lepelaar

Over de Lepelaar

Herkenning
Lepelaars zijn makkelijk te herkennen. Ze zijn groot en wit, hebben zwarte lange poten, maar zijn natuurlijk het beste te herkennen aan hun lepelvormige snavel. Daar hebben ze in vele landen hun naam aan te danken:
Spoonbill (engels), Espatula (spaans), Spatule (frans).  Je kunt ze verwarren met zilverreigers, maar die zijn wat witter en lopen meer recht op.



>>> Volwassen Lepelaars
       Stinkgat Tholen
       foto: Norman Deans van Swelm



Adulten
De volwassen vogels hebben een zwarte snavel met een licht-oranje vlek op de punt. In broedkleed hebben ze een grote afhangende kuif, een oranje borstband, en een oranje-rode keel. Na het broeden verliezen ze de kuif en de oranje markeringen op hun borst en keel.



>>> Volwassen Lepelaar
       Schiermonnikoog
       foto: Tim van der Meer


Sexe
Er is op het oog geen verschil tussen mannetjes en vrouwtjes. Maar mannetjes zijn groter dan vrouwtjes, hebben een langere snavel dan vrouwtjes en hun hoofd is anders gevormd. Het voorhoofd van het mannetje loopt in een rechte lijn over in de snavel. Het vrouwtje heeft een meer eivormig voorhoofd.

Kuikens en Juvenielen
Wanneer ze net uit het ei komen hebben de kuikens een oranje snavel en oranje poten. Binnen een paar weken verandert de kleur naar grijs.



>>> Lepelaarkuiken van 3 weken oud
       foto: Inge Tielen




>>>Subadult (2e winter) met ringcombinatie L[S9]/L[S9]a
       foto: Jan van de Kam


Broeden, Nazomeren en Trek
De lepelaars in Nederland broeden van eind maart tot en met eind juli. Ze leggen 3-4 eieren, maar van de kuikens die daar uit komen wordt er meestal maar 1 groot. De juveniele lepelaars blijven nog een tijdlang bij de ouders, bedelend om voedsel en om te leren foerageren. Vanaf augustus verspreiden de lepelaars zich over Nederland. Grote groepen van 300-800 vogels zijn dan bijvoorbeeld  in de Lauwersmeer en op een aantal hoogwatervluchtplaatsen te zien tot in september. Eind september zijn zo’n beetje alle lepelaars wel naar het zuiden vertrokken. Het grootste deel van de Nederlandse lepelaars trekt naar west Afrika, naar het waddengebied in Mauretanie en de Senegaldelta om te overwinteren. Zo’n 40 % blijft in Frankrijk, Spanje en Portugal. 



>>> Balgzand 1000 lepelaars, 
luchtfoto september 2011
       foto: Roos Kentie





>>> 
overwinteringsgebieden

Hoe gaat het met de lepelaarpopulatie in Nederland?

Iedereen zegt dat het goed gaat met de lepelaars. Dat lijkt ook wel zo. Het aantal broedpaar is toegenomen van rond de 200 in de jaren zestig en zeventig tot boven de 3.000 de laatste drie jaar. Begin jaren negentig is de sterke groei begonnen. Van 1962 tot en met 1979 waren er slechts 5 tot 6 grote kolonies in heel Nederland: het Naardermeer, Zwanenwater, de Muy en de Geul beiden op Texel, Terschelling en de Oostvaardersplassen. Vanaf 1979 groeide het aantal kolonies gestaag. Vanaf 1997 kwam het aantal boven de 20 en toen ging het hard, met als maximum 63 kolonies in de jaren 2017 en 2018. 

De vos verjoeg de lepelaar naar de Wadden

De situatie is nu wel heel anders dan zo’n 30 jaar geleden. In 1988 verdween de beroemde lepelaarkolonie van het Naardermeer. In de jaren tachtig kregen ook de lepelaars in het Zwanenwater en in de Oostvaardersplassen het moeilijk door de komst van de vos. En eigenlijk lijkt het erop dat juist met de komst van de vos de lepelaars andere plekken zijn gaan zoeken. Die hebben ze allereerst op de Waddeneilanden gevonden. Want in 1983 ontdekten de lepelaars de Schorren op Texel en Bomenland op Vlieland en in 1992 Schiermonnikoog. Intussen was in 1989 ook het eiland in het Quackjeswater ontdekt als broedplek. Hier zijn ze sindsdien altijd gebleven met een maximum van maar liefst 277 broedpaar in 2018. De lepelaars vonden dus plekken waar de vos niet kan komen.

Aantal in de Delta loopt op

Inmiddels hebben de lepelaars alle Waddeneilanden van Nederland gevonden, maar hebben ze ook het vasteland en de Zeeuwse en Zuid-Hollandse Delta gekoloniseerd. Vanaf 2007 is het aantal in de Delta het aantal op het vasteland gepasseerd. Wat opvalt, is dat er heel veel kleine kolonies zijn ontstaan op het vasteland. Soms broedt er ergens een paartje voor een jaar of twee, maar dan zet dat niet door. Een mooi voorbeeld is een paartje in het Sloterpark, dat na twee jaar popconcerten er de brui aan gaf. En een paartje in Arcen in Limburg, toch ook niet echt een plek waar je aan lepelaars denkt….

Helft West-Europese populatie broedt in Nederland

Nu dus maar liefst 3.000 paar. Is het veel? Als je bedenkt dat de broedkolonie grote sterns op Texel al 6.000 paar is? De 3.000 paar in Nederland is meer dan de helft van de hele West-Europese populatie. In goede jaren is de totale Europese populatie zo’n 5.000 paar. Spanje maakt daar dan een groot deel van uit. Maar bij droogte, zoals in de afgelopen jaren, broeden er in de Coto Donâna geen lepelaars en is het aandeel in Nederland dus nog groter. 

Kolonies op de Wadden aan hun max?

Uit onderzoek op de Waddeneilanden is naar voren gekomen dat het broedsucces (het aantal uitgevlogen jongen per ouderpaar) van de lepelaars afneemt als de kolonie groeit. Dan vliegt er gemiddeld minder dan een jong per nest uit. Aangezien er op de Waddeneilanden genoeg plek is om te broeden, lijkt het erop dat voedsel de beperkende factor is. Er zit niet genoeg kleine vis in de Waddenzee. De lepelaars van de Buitenliede brengen wel 2 of 3 kuikens groot. Die weten tot nu toe genoeg voedsel te vinden.

Bron: Werkgroep Lepelaar (www.werkgroeplepelaar.nl)



Aantal broedpaar


>>> 
 aantal broedpaar Lepelaars van 1963 tot en met 2018 voor Nederland (geel),
        de Wadden (zwart), het Vasteland (rood) en de Delta (blauw).
        Data: Werkgroep Lepelaar & SOVON








 

124954 bezoekers (201973 hits) sinds 12-3-2013